Wat is Advaita?

WikipediA:
‘De Advaita Vedānta (Sanskriet अद्वैत वेदान्तIAST Advaita VedāntaIPA [/əd̪veat̪ə veːd̪ɑːnt̪ə/]?) is een filosofisch-religieuze onderschool binnen de Vedanta en vertegenwoordigt een puur monistische of nondualistische manier van denken. A-dvaita (niet-tweeheid) duidt op non-dualisme. De belangrijkste filosoof van deze stroming is Sri Shankara.

In de advaita vedanta of advaitavada ligt de nadruk op jnana yoga. Jnana yoga betekent letterlijk “kennisyoga” of “eenwording door kennis”. Het is de tak van de yoga waarbij men tracht via kennisverwerving over de aard van het bewustzijn tot zelfverwerkelijking of realisatie van de ware aard van atman (het “zelf” ontdaan van alle illusies omtrent de eigen aard) te komen.

In de advaitavada wordt, net als in de boeddhistische shunyavada, de relatieve werkelijkheid, de scheiding tussen het eigen bewustzijn en het kosmisch bewustzijn ontkend en wordt alleen de absolute werkelijkheid als waarheid erkend (puur monisme). Dit in tegenstelling tot de dvaitadvaitavada (het dualistisch non-dualisme), waar de relatieve werkelijkheid van het individuele bewustzijn wel wordt erkend als een tijdelijke toestand tot aan de vereniging met het kosmische bewustzijn (tijdelijk dualisme of neutraal monisme). Bij de eveneens neutraal monistische advaitadvaitadvaitavada (het non-dualistisch dualistisch non-dualisme) gaat men ook uit van een tijdelijk dualisme, maar wordt tevens erkend dat de ziel is voortgekomen uit het kosmisch bewustzijn (uit non-dualiteit).

Advaita Vedanta werd in de jaren 60-’70 in Nederland geïntroduceerd door Wolter Keers. Leraren die veel betekend hebben voor de verspreiding van Advaita Vedanta in Nederland waren Alexander Smit en Douwe Tiemersma.’ – Bron

Britannica.com:
‘Advaita
( Sanskrit: “Nondualism”) one of the most influential schools of Vedanta, which is one of the six orthodox philosophical systems (darshans) of Indian philosophy. While its followers find its main tenets already fully expressed in the Upanishads and systematized by the Brahma-sutras (also known as the Vedanta-sutras), it has its historical beginning with the 7th-century-ce thinker Gaudapada, author of the Mandukya-karika, a commentary in verse form on the Mandukya Upanishad.

Gaudapada builds further on the Mahayana Buddhist concept of shunyata (“emptiness”). He argues that there is no duality; the mind, awake or dreaming, moves through maya (“illusion”); and nonduality (advaita) is the only final truth. That truth is concealed by the ignorance of illusion. There is no becoming, either of a thing by itself or of a thing out of some other thing. There is ultimately no individual self or soul (jiva), only the atman (universal soul), in which individuals may be temporarily delineated, just as the space in a jar delineates a part of the larger space around it: when the jar is broken, the individual space becomes once more part of the larger space.

The medieval Indian philosopher Shankara, or Shankaracharya (“Master Shankara”; c. 700–750), builds further on Gaudapada’s foundation, principally in his commentary on the Brahma-sutras, the Shari-raka-mimamsa-bhashya (“Commentary on the Study of the Self”). Shankara in his philosophy starts not with logical analysis from the empirical world but rather directly with the Absolute (brahman). If interpreted correctly, he argues, the Upanishads teach the nature of brahman. In making that argument, he develops a complete epistemology to account for the human error in taking the phenomenal world for the real one. Fundamental for Shankara is the tenet that brahman is real and the world is unreal. Any change, duality, or plurality is an illusion. The self is nothing but brahman. Insight into that identity results in spiritual release (moksha). Brahman is outside time, space, and causality, which are simply forms of empirical experience. No distinction in brahman or from brahman is possible.’ – Bron

aum

Advertenties